Belanghebbende en zijn broer schonken in 2014 aan een museum een aantal uit luipaardbont vervaardigde voorwerpen, afkomstig uit de nalatenschap van hun moeder. Deze voorwerpen zijn vervaardigd in Nederland kort na 1964, toen hun vader luipaardhuiden uit Oost-Afrika had meegebracht. Handel in luipaardhuid is verboden.
Het museum kwalificeert als culturele instelling volgens artikel 5b, lid 4, AWR. In geschil was de waarde van de geschonken voorwerpen voor de toepassing van de giftenaftrek onder de Wet IB 2001. Het Hof oordeelde dat de voorwerpen ondanks het handelsverbod een geldelijke waarde hebben en dat belanghebbende de bewijslast draagt voor de hoogte van die waarde. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de waarde voldoende was voor giftenaftrek.
Belanghebbende stelde in cassatie dat bij afwezigheid van een legale markt de waarde bepaald moet worden aan de hand van de kosten van vervanging via de enige legale manier, namelijk het zelf vervaardigen van de voorwerpen uit huiden van met vergunning geschoten luipaarden. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat giften in natura gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer, conform het stelsel van de Wet IB 2001.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.