ECLI:NL:HR:2017:2376

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2017
Publicatiedatum
14 september 2017
Zaaknummer
16/06126
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake beschikking Wet inkomstenbelasting 2001

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 6.33, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Eerder had de Hoge Raad een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

In het tweede cassatiegeding heeft belanghebbende meerdere middelen voorgesteld, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift heeft ingediend en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en de beschikking blijft in stand.

Uitspraak

15 september 2017
Nr. 16/06126
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 november 2016, nr. 16/00116, betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.33, lid 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1.Geding eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016, nr. 14/05821, ECLI:NL:HR:2016:354, BNB 2016/107, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK-13/00546), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.