Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
22 april 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag beoordeeld. Het geschil betreft een tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro f van de Faillissementswet en de toepassing van de hardheidsclausule volgens artikel 288 lid 3 Fw Pro.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag die aan het arrest gehecht zijn. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).
Na beoordeling concludeert de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door de raadsheren van de Hoge Raad op 22 april 2016 en is openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans op slagen.