Belanghebbende was middellijk bestuurder van een BV die naheffingsaanslagen omzetbelasting kreeg opgelegd over de jaren 2008 tot en met 2009. De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk voor de belastingschuld, boete en rente. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de ontvanger niet verplicht was alle stukken, waaronder processen-verbaal van de FIOD, te overleggen en dat het verdedigingsbeginsel niet was geschonden ondanks het ontbreken van voorafgaande kennisgeving van aansprakelijkstelling.
De Hoge Raad stelt vast dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde stukken niet hoefden te worden overgelegd en dat het Hof niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd voor de toetsing van het verdedigingsbeginsel, zoals vereist door het EU-recht. Hierdoor is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd en kan het vonnis niet in stand blijven.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde behandeling, waarbij onder meer moet worden onderzocht of tijdig een melding van betalingsonmacht is gedaan en wie de bewijslast draagt voor kennelijk onbehoorlijk bestuur. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.