Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juli 2015, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting had behandeld.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.