Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, waarin een klaagschrift tot gedeeltelijke opheffing van conservatoire beslagen werd toegewezen. De beslagen waren gelegd ten behoeve van verhaal van een ontnemingsvordering van € 1.600.000,- tegen klager sub 1.
De rechtbank had geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter later een verplichting tot betaling van dit bedrag zou opleggen, mede omdat klager in de strafzaak was vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking had op de criminele organisatie waarbinnen de facturen de grondslag vormden voor het gevorderde bedrag. De rechtbank had daarom het beslag beperkt tot € 829.115,27.
Het Openbaar Ministerie stelde dat de rechtbank ten onrechte vooruitliep op de uitkomst van de strafzaak en dat het toetsingskader van de beklagprocedure niet toelaat dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank de juiste maatstaf niet had toegepast en vernietigde de beschikking. De zaak werd terugverwezen voor herbehandeling op het bestaande klaagschrift.
De Hoge Raad benadrukte dat bij de beoordeling van een klaagschrift tegen beslag op grond van art. 94a Sv moet worden onderzocht of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later een ontnemingsmaatregel zal opleggen, maar dat de rechtbank niet vooruit mag lopen op de uitkomst van de strafzaak. Tevens moet rekening worden gehouden met proportionaliteit en subsidiariteit, maar binnen het beperkte toetsingskader van de beklagprocedure.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor herbehandeling van het klaagschrift.