In deze zaak staat centraal of het nemo tenetur-beginsel is geschonden door het gebruik van bankgegevens die belanghebbende onder dwang van dwangsommen heeft verstrekt aan de Inspecteur. Belanghebbende was geïdentificeerd als rekeninghouder van buitenlandse bankrekeningen en weigerde aanvankelijk informatie te verstrekken. Na een kort geding werd hij verplicht tot opgave van gegevens, waarna hij bankafschriften en portfolio-overzichten overlegde.
De Hoge Raad bevestigt dat deze gegevens als wilsonafhankelijk moeten worden beschouwd, omdat zij bestaan onafhankelijk van de wil van belanghebbende. Het enkele feit dat de gegevens onder druk van dwangsommen zijn overgelegd, maakt dit niet anders. Dit oordeel sluit aan bij eerdere arresten van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De Hoge Raad verwierp de klachten van belanghebbende dat het nemo tenetur-beginsel ook zou gelden voor bescheiden waarvan het overhandigen de erkenning van het bestaan ervan impliceert. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet verenigbaar is met de rechtspraak van het EHRM en de Nederlandse jurisprudentie.
De overige middelen werden niet-ontvankelijk verklaard of niet-ontvankelijk bevonden zonder nadere motivering. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.