Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
1 mei 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil centraal over het recht op gebruik van een bergruimte in het kader van huurrecht en de gevolgen van contractsoverneming volgens artikel 6:159 BW Pro. De eiseres had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin zij in het ongelijk werd gesteld.
De Procureur-Generaal stelde voor het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 RO, omdat de klachten onvoldoende belang toonden of geen kans van slagen hadden. De Hoge Raad heeft dit standpunt gevolgd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de kantonrechter en het arrest van het gerechtshof voor de feitelijke en juridische achtergrond. De eiseres werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, terwijl de verweerster niet verscheen. Het arrest werd uitgesproken door raadsheer G. de Groot namens de kamer.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan kans van slagen.