Belanghebbende vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures tegen de Staat. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met respectievelijk vier en zeven maanden was overschreden en kende een vergoeding van €500 toe per zaak. Het hof bevestigde dit bedrag, waarbij het oordeelde dat de wrakingsverzoeken van belanghebbende een bijzondere omstandigheid vormden die deels aan hem was toe te rekenen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat wrakingsverzoeken een bijzondere omstandigheid zijn die rechtvaardigt de termijnoverschrijding te verminderen. Volgens vaste jurisprudentie vormen dergelijke verzoeken geen bijzondere omstandigheden die een verlaging van de vergoeding rechtvaardigen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het betrekking heeft op de zaak met nummer AWB 09/2780 en verhoogt de immateriële schadevergoeding tot €1000. Tevens wordt de minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot betaling van het griffierecht van belanghebbende. De overige klachten worden verworpen omdat deze niet leiden tot rechtsontwikkeling.