Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel en de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank tot herroeping van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank had de herroeping toegewezen omdat de verdachte niet voldeed aan de bijzondere voorwaarden, met name het meldingsgebod bij de reclassering.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet geen rechtsmiddel openlaat tegen een afzonderlijke beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling indien deze niet samenvalt met een uitspraak over andere strafbare feiten. De rechtbank had de vordering van de officier van justitie correct toegewezen en het hof handelde juist door het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk te verklaren.
Het middel van cassatie richtte zich uitsluitend tegen deze ontvankelijkheidsbeslissing, maar bevatte geen andere gronden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. De beslissing bevestigt de wettelijke regeling dat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van niet-naleving van bijzondere voorwaarden niet kan worden aangevochten via hoger beroep of cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het beroep tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.