ECLI:NL:HR:2014:1575

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
13/01109
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 423 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bij niet-verschoonbare termijnoverschrijding hoger beroep

In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het instellen daarvan.

De verdachte had hoger beroep ingesteld na de wettelijke termijn te hebben overschreden en voerde tijdens de terechtzitting in hoger beroep niet aan dat deze overschrijding verschoonbaar was. Het hof verklaarde hem daarom niet-ontvankelijk. De verdachte stelde in cassatie dat het hof ambtshalve had moeten onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat de zaak op grond van artikel 423 Sv Pro had moeten worden terugverwezen naar de politierechter.

De Hoge Raad verwierp deze middelen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was ambtshalve te toetsen aan de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en dat de situatie waarin de verdachte niet op de juiste wijze was geïnformeerd over de zittingsdatum niet aan de orde was. Daarmee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het hof en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarbij ook de waarnemend griffier aanwezig was.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep bevestigd.

Uitspraak

1 juli 2014
Strafkamer
nr. 13/01109
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2013, nummer 23/001790-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te onderzoeken of de overschrijding door de verdachte van de wettelijke termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.
3.2.1.
Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 12 april 2012 hoger beroep ingesteld tegen het in deze zaak door de Politierechter in de Rechtbank Haarlem bij verstek gewezen vonnis van 24 februari 2012.
3.2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar verklaard dat hij, voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg, "de rechtbank (...) [heeft] gebeld en gezegd dat ik verhinderd was. Mij is toen verteld dat de behandeling toch door zou gaan".
3.2.3.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat, nu zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv binnen veertien dagen nadat het vonnis was gewezen het hoger beroep had moeten instellen, hetgeen hij heeft verzuimd.
3.2.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat de verdachte - die aldaar was verschenen - heeft aangevoerd dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.
3.3.
Het middel, dat berust op de opvatting dat het Hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of de overschrijding van die termijn verschoonbaar was, faalt omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.
3.4.
Opmerking verdient voorts het volgende. Voor zover het middel klaagt dat het Hof - gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte - gehouden was te onderzoeken of de zaak op de voet van art. 423 Sv Pro naar de Politierechter moest worden teruggewezen, miskent het de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting. Immers, hier doet zich niet de situatie voor dat de verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996/557).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 juli 2014.