Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met een minderjarige in de periode 1990-1991.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op de verklaringen van de aangeefster, die al op jonge leeftijd aan leeftijdsgenoten en in haar dagboek melding maakte van het misbruik. Het hof achtte deze verklaringen betrouwbaar, mede door bevestiging uit vroegere bronnen en de verklaring van verdachte over het oppassen en aanwezigheid van pornografische literatuur.
Het cassatiemiddel richtte zich op het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv, dat vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend kan steunen op één getuige zonder voldoende aanvullend bewijs. De Hoge Raad oordeelt dat in dit geval de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, zodat geen schending van het bewijsminimum heeft plaatsgevonden.
Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van ontucht met minderjarige.