ECLI:NL:HR:2013:BW8359
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over aftrek onderhoudskosten buitenlands monument en EU-recht
Belanghebbende, een Nederlandse belastingplichtige die in 2004 naar België verhuisde en daar een monumentaal kasteel bewoonde, bracht onderhoudskosten van dit in België gelegen pand in aftrek op zijn Nederlandse inkomstenbelasting. De Nederlandse Belastingdienst weigerde deze aftrek omdat het pand niet in Nederland als beschermd monument was geregistreerd, zoals vereist volgens de Nederlandse Monumentenwet.
De Rechtbank en het Hof spraken zich uit over de vraag of deze weigering in strijd was met het EU-recht, met name de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer. Het Hof verklaarde het beroep van de Inspecteur gegrond, maar de Hoge Raad twijfelt aan de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling met het EU-recht.
De Hoge Raad overweegt dat de Nederlandse regeling gericht is op het behoud van nationaal cultureel erfgoed en dat registratie in Nederland een noodzakelijke voorwaarde is voor fiscale aftrek. Echter, het EU-recht kan beperkingen opleggen aan dergelijke nationale regels, vooral als deze de vrijheid van vestiging of het vrije kapitaalverkeer belemmeren.
Vanwege de gerede twijfel over de juiste uitleg van het EU-recht stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De procedure wordt geschorst totdat het HvJ uitspraak doet over de vraag of de Nederlandse eis van registratie in Nederland verenigbaar is met het EU-recht en in hoeverre aftrek in België van belang is.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de toepassing van EU-recht op de aftrek van onderhoudskosten van een buitenlands monument.