Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
24 september 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de gemeente Amsterdam strafrechtelijk aansprakelijk kon worden gesteld voor het verlenen van toestemming aan Amsterdam Port Services B.V. voor het terugpompen van gevaarlijke afvalstoffen naar het schip Probo Koala, en het gedogen van mogelijke overtredingen van artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.
Het Hof had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat het handelen van de gemeente werd aangemerkt als een gedraging die exclusief door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van een aan de gemeente opgedragen bestuurstaak. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en herhaalde het criterium uit het arrest Pikmeer II, dat strafrechtelijke immuniteit geldt wanneer gedragingen naar hun aard en het wettelijk systeem niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht.
Het eerste middel van het OM, dat stelde dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een ruimere toets hanteert en dat strafrechtelijke vervolging mogelijk moet zijn bij schending van het recht op leven, faalde omdat in de zaak niet was vastgesteld dat het recht op leven was geschonden. Het tweede middel faalde eveneens omdat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en het oordeel begrijpelijk was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit toekomt bij het gedogen van mogelijke overtredingen van milieuregels in het kader van haar exclusieve bestuurstaak.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens strafrechtelijke immuniteit van de gemeente.