Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 7 augustus 2012, nr. 11/00041, betreffende een door
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een ondernemer die panden huurt en kamers aan prostituees ter beschikking stelt, had omzetbelasting betaald waartegen bezwaar werd gemaakt. Na afwijzing door de inspecteur en rechtbank, verklaarde het Hof het beroep gegrond en kende teruggaaf toe, stellende dat de prestatie verhuur van onroerend goed betreft.
De gemeente Groningen had aan belanghebbende een vergunning verleend voor het exploiteren van een prostitutie-inrichting, met voorwaarden waaronder direct toezicht en waarborging van veiligheid. Het Hof stelde vast dat belanghebbende deze toezicht- en veiligheidsverplichtingen niet nakwam.
De Hoge Raad oordeelde dat verhuur een passieve activiteit is en dat bijkomende diensten alleen van belang zijn als ze meer dan kennelijk bijkomstig zijn. Omdat de verplichte werkzaamheden uit de vergunning niet werden verricht, veranderde dit de aard van de prestatie niet. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de kosten werden aan de Staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de prestatie kwalificeert als verhuur van onroerend goed en verklaart het cassatieberoep ongegrond.