ECLI:NL:HR:2011:BR6598
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van effectieve gezagscontrole bij oorlogsmisdrijven door militaire inlichtingendienst
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd vrijgesproken van het opzettelijk toelaten van oorlogsmisdrijven gepleegd door ondergeschikten binnen de Afghaanse militaire inlichtingendienst (MID) in de periode 1981-1987.
Het hof onderzocht de gezagsverhouding tussen verdachte en de feitelijke daders, waarbij het internationale recht en de doctrine van 'command responsibility' werden betrokken. Uit getuigenverklaringen bleek dat verdachte formeel tweede plaatsvervanger was van het hoofd van de MID en hiërarchisch boven het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor stond. Echter, het hof stelde vast dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte effectieve controle ('effective control') had over de ondergeschikten die de misdrijven pleegden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aansluiting zocht bij het internationale recht en de doctrine van command responsibility, en dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat verdachte niet daadwerkelijk in staat was de misdrijven te voorkomen of te bestraffen. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de vrijspraak van verdachte werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens het ontbreken van bewijs voor effectieve controle over ondergeschikten die oorlogsmisdrijven pleegden.