ECLI:NL:HR:2011:BQ7311
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig betalen griffierecht
In deze zaak heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Volgens art. 3 lid 4 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken moest het griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift in cassatie worden voldaan. Verzoeker heeft dit griffierecht niet tijdig bijgeschreven of gestort op de rekening van de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal concludeerde primair tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht en subsidiair tot verwerping van het beroep. Een reactie van de advocaat van verzoeker op deze conclusie werd door de Hoge Raad terzijde gelegd omdat deze na de wettelijke termijn was ingekomen.
De Hoge Raad oordeelde dat verzoeker ingevolge art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn beroep. De beschikking werd door de raadsheren in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht.