ECLI:NL:HR:2011:BQ3006
Hoge Raad
- Cassatie
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over tijdige betaling griffierechten bij beroep in cassatie
In deze zaak stond centraal of het griffierecht tijdig was betaald in het kader van een beroep in cassatie. Eiser had het griffierecht op 8 april 2011 voldaan, terwijl de eerste uitroeping van de zaak op 11 maart 2011 plaatsvond. De Hoge Raad moest beoordelen of dit binnen de termijn van vier weken na de eerste uitroeping viel, zoals voorgeschreven in art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken.
De Hoge Raad verwees naar het overgangsrecht dat bepaalt dat art. 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken op 1 november 2010 in werking is getreden en art. 409a Rv. op 1 januari 2011. Volgens art. 3 lid 3 is Pro de eiser het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak en dient hij dit binnen vier weken daarop te betalen. De termijn begint te lopen op de dag na de eerste uitroeping.
De Hoge Raad concludeerde dat de betaling op 8 april 2011 binnen de termijn viel en dus tijdig was. Daardoor is eiser ontvankelijk in zijn beroep in cassatie. De zaak werd verwezen naar de rol van de enkelvoudige kamer voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het griffierecht is tijdig betaald binnen de wettelijke termijn, waardoor eiser ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.