ECLI:NL:HR:2010:BL5555

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01917
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22j AWRArt. 8 lid 1 Inv.Art. 3:41 AwbArt. 6:8 AwbArt. 14 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaartermijn navorderingsaanslag bij faillissement en bekendmaking aan curator

Belanghebbende was failliet verklaard toen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002 werd opgelegd. Het aanslagbiljet werd door de ontvanger aan de curator van belanghebbende verzonden. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen deze aanslag niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De Rechtbank Leeuwarden oordeelde echter dat het bezwaar wel ontvankelijk was en verwees de zaak terug naar de Inspecteur voor inhoudelijke behandeling. Het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beantwoordde de vraag of de bezwaartermijn aanvangt bij toezending van het aanslagbiljet aan de curator in geval van faillissement. Gelet op de wettelijke bepalingen in de Faillissementswet en de Algemene wet bestuursrecht, oordeelde de Hoge Raad dat de bekendmaking rechtsgeldig plaatsvindt door toezending aan de curator, waardoor de bezwaartermijn vanaf dat moment loopt. Het bezwaar dat na afloop van deze termijn werd ingediend, was derhalve niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee werd bevestigd dat de procedurele regels omtrent bezwaartermijnen bij faillissement strikt worden toegepast.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de bezwaartermijn aanvangt bij toezending van het aanslagbiljet aan de curator.

Uitspraak

Nr. 08/01917
26 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 april 2008, nr. 07/00062, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.
De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB06/1302) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar ontvankelijk verklaard en de zaak voor inhoudelijke behandeling teruggewezen naar de Inspecteur.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Ten tijde van het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag verkeerde belanghebbende in staat van faillissement. De Inspecteur heeft op het aanslagbiljet de naam van belanghebbende vermeld en het adres van zijn curator. De Ontvanger heeft het aanslagbiljet op 23 augustus 2005 naar het adres van de curator gezonden.
3.2. Het middel klaagt over schending van artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna ook: Awb) en artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het middel betoogt dat de navorderingsaanslag niet op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt, omdat die aanslag naar het adres van zijn curator is gezonden. Volgens het middel vangt de bezwaartermijn voor belanghebbende in dat geval pas aan op het moment dat hij (het biljet van) de navorderingsaanslag zelf heeft ontvangen, naar belanghebbende stelt twee weken later.
3.3.1. Artikel 22j, aanhef en letter a, AWR bepaalt:
"In afwijking van artikel 6:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet (...), tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking (...)"
3.3.2. De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger, en wel, zulks in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, Awb, door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.
3.3.3. Die bekendmaking kan, gelet op het bepaalde in artikel 3:41, lid 1, Awb, plaatsvinden door toezending aan de belanghebbende.
3.3.4. Indien de belanghebbende failliet is verklaard, zal een aan hem toegezonden aanslagbiljet in beginsel door het postvervoerbedrijf worden afgegeven aan de curator. Van de faillietverklaring moet de griffier van een rechtbank namelijk onverwijld kennisgeven aan het postvervoerbedrijf, destijds de administratie der posterijen en der telegrafie (artikel 14, lid 2, van de Faillissementswet, tekst 2005, hierna: Fw). Na ontvangst van een dergelijke kennisgeving, is het postvervoerbedrijf op grond van artikel 99, lid 1, derde volzin, Fw in beginsel verplicht de brieven die voor de gefailleerde bestemd zijn aan de curator af te geven. De curator is op grond van artikel 99, lid 1, eerste volzin, Fw verplicht deze brieven te openen.
3.3.5. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat bekendmaking van een aanslag die is gesteld ten name van een persoon die failliet is verklaard, ook rechtsgeldig kan plaatsvinden doordat de ontvanger het tot deze belastingschuldige gerichte aanslagbiljet rechtstreeks zendt naar het adres van de curator.
3.3.6. Het voorgaande brengt mee dat in het onderhavige geval de termijn voor indiening van een bezwaarschrift - hetzij door de curator, hetzij door belanghebbende zelf - met ingang van 24 augustus 2005 is aangevangen en op 4 oktober 2005 eindigde. Het op 5 of 6 oktober 2005 door belanghebbende ter post bezorgde bezwaarschrift, dat op 6 oktober 2005 door de Inspecteur is ontvangen, is derhalve na afloop van die termijn ingediend.
Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2010.