ECLI:NL:HR:2010:BI3713
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Lijfrentepremieaftrek bij dooroverdracht onderneming aan werkmaatschappijen toegestaan
Belanghebbende en zijn compagnon hebben hun onderneming ingebracht in houdstermaatschappijen, die vervolgens hun aandelen overdroegen aan een werkmaatschappij tegen uitreiking van aandelen en creditering. De Rechtbank te Breda oordeelde dat de werkmaatschappij als derde fungeerde, waardoor de lijfrentepremies niet aftrekbaar waren.
De Hoge Raad stelde echter vast dat in dit geval de houdstermaatschappijen een belang van 50% in de werkmaatschappij behouden en daardoor middellijk volledig gerechtigd blijven tot het ondernemingsvermogen. Dit betekent dat er geen overdracht aan een derde is in de zin van de wet, zodat de lijfrentepremieaftrek wel toegestaan is.
De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van de Rechtbank en de aanslag van de Inspecteur, en bepaalde het belastbaar inkomen op € 99.999. Tevens werden de proceskosten verdeeld ten gunste van belanghebbende. Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 bij complexe dooroverdrachten binnen concernstructuren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt eerdere uitspraken en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 99.999 met recht op lijfrentepremieaftrek.