ECLI:NL:HR:2009:BI1122

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02921
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 3 lid 1 RWN (oud)Art. 3 lid 3 RWN (oud)Art. 4 lid 1 RWN (oud)Art. 1:203 lid 2 BW
Verwijzingen
8 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlanderschap minderjarige kinderen erkend door niet-Nederlandse vader vóór 2003

De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van twee minderjarige kinderen die vóór 1 april 2003 postnataal zijn erkend door hun vader, die de Turkse nationaliteit bezit maar in Nederland is geboren en woont. De moeder heeft de Moldavische nationaliteit en woont eveneens in Nederland. De kinderen wonen sinds hun geboorte in Nederland en spreken de Nederlandse taal.

De ouders verzochten de rechtbank op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) om vast te stellen dat de kinderen van rechtswege Nederlander zijn. De rechtbank stelde vast dat de kinderen vanaf de datum van erkenning, 12 november 2002, de Nederlandse nationaliteit bezitten, ondanks dat de erkenning geen terugwerkende kracht heeft tot de geboorte.

De Staat betwistte dit en stelde dat de vader ten tijde van de geboorte niet de juridische vader was, zodat de kinderen het Nederlanderschap niet op grond van artikel 3 lid Pro 3 (oud) RWN konden verkrijgen. De Hoge Raad oordeelde dat de ratio van artikel 3 lid Pro 3 (oud) RWN, gericht op het erkennen van de derde generatie in Nederland wonende kinderen, meebrengt dat kinderen die vóór 1 april 2003 postnataal erkend zijn door een vader die zelf in Nederland is geboren, Nederlander worden vanaf de erkenningsdatum.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staat en bevestigde dat het onderscheid tussen prenataal en postnataal erkende kinderen niet absoluut is, maar dat het tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap aan de erkenningsdatum verbonden is. Daarmee werd het verzoek van de ouders toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat minderjarige kinderen die vóór 1 april 2003 postnataal erkend zijn door een niet-Nederlandse vader die in Nederland is geboren, vanaf de erkenningsdatum van rechtswege de Nederlandse nationaliteit bezitten.

Uitspraak

10 juli 2009
Eerste Kamer
08/02921
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
1. [De vader], en
2. [De moeder],
optredend als ouders van hun minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat, de vader en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instantie
Met een op 17 mei 2005 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift hebben de vader en de moeder in hun hoedanigheid van ouders van de minderjarige kinderen, [de kinderen], zich gewend tot die rechtbank en op de voet van art. 17 RWN Pro verzocht, kort gezegd, vast te stellen dat [de kinderen] van rechtswege de Nederlandse nationaliteit bezitten.
De Staat heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2008 vastgesteld dat [de kinderen] vanaf 12 november 2002 van rechtswege de Nederlandse nationaliteit bezitten.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader en de moeder hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de Staat heeft bij brief van 24 april 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Kind 1] is geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] en [kind 2] op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats]. De moeder van [de kinderen] (hierna: de kinderen) is [de moeder], hierna: de moeder. Zij heeft het gezag over de kinderen.
(ii) De moeder heeft de Moldavische nationaliteit en woont sinds 1997 in Nederland.
(iii) [De vader], hierna: de vader, heeft bij akte van 12 november 2002 te Rotterdam de kinderen erkend. De vader heeft de Turkse nationaliteit en is geboren en getogen in Nederland. Hij woont en werkt in Nederland. Hij is op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] geboren als zoon van destijds in Nederland wonende Turkse ouders.
(iv) De kinderen wonen en leven sinds hun geboorte met de moeder en de vader als gezin samen in Nederland. Zij bezoeken een Nederlandse basisschool en spreken evenals hun ouders de Nederlandse taal.
3.2 De vader en de moeder hebben in hun hoedanigheid van ouders van de kinderen op 17 mei 2005 op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend strekkende tot de vaststelling van het Nederlanderschap van de kinderen. Zij hebben hun verzoek gebaseerd op art. 3 lid Pro 3 (oud) in verbinding met art. 4 lid Pro 1 (oud) RWN, zoals dat gold tot 1 april 2003.
3.3 De Staat heeft ten verwere, voor zover hier van belang, aangevoerd dat de vader ten tijde van de geboorte van de kinderen niet kon worden beschouwd als hun juridische vader in de zin van art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN in verbinding met art. 1, aanhef en onder d, (oud) RWN, zodat de kinderen het Nederlanderschap niet op grond van art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN hebben verkregen.
3.4 De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen vanaf 12 november 2002 van rechtswege de Nederlandse nationaliteit bezitten. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, het volgende overwogen. De vader is pas sinds de erkenning op 12 november 2002 de juridische vader van de kinderen, aangezien de erkenning ingevolge art. 1:203 lid 2 BW Pro geen terugwerkende kracht heeft. Pas sindsdien is voldaan aan de letterlijke vereisten voor toepassing van art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN op de kinderen (rov. 2.6). Een redelijke wetsuitleg brengt in de omstandigheden van dit geval mee dat moet worden geoordeeld dat de kinderen op de voet van art. 3 lid Pro 3 (oud) en art. 4 lid Pro 1 (oud) RWN het Nederlanderschap hebben verkregen, niet vanaf hun geboorte, maar wel vanaf de datum van hun erkenning door de vader (rov. 2.10). De kinderen voldoen immers aan de ratio van art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN dat de derde in Nederland wonende generatie van rechtswege het Nederlanderschap behoort te verkrijgen, omdat die derde generatie in Nederland wonende kinderen van vreemdelingen geacht wordt per definitie een sterke band met Nederland te hebben (rov. 2.8). Ook blijkt uit niets dat de wetgever voor de verkrijging van het Nederlanderschap door geboorte en erkenning destijds een absoluut onderscheid heeft willen maken tussen prenataal en postnataal erkende derde generatie kinderen, absoluut in die zin dat prenataal erkende kinderen van de derde generatie altijd direct, maar postnataal erkende kinderen nooit van rechtswege het Nederlanderschap zouden kunnen verkrijgen. Een dergelijk absoluut onderscheid is in ieder geval jegens de kinderen en de vader en de moeder in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd. Wel gerechtvaardigd is een onderscheid in tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap, omdat dat tijdstip van erkenning in de risicosfeer en binnen de mogelijkheden van de (aanstaande) ouders ligt (rov. 2.9).
3.5 In dit geding staat de vraag centraal of een kind dat vóór 1 april 2003 postnataal door een niet-Nederlandse man is erkend, het Nederlanderschap kon verwerven op grond van art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN.
3.6 Tot 1 april 2003, de datum waarop de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in werking trad (Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618), luidde art. 3 RWN Pro, voor zover hier van belang:
"1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
(...)
3. Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder."
Tot 1 april 2003 luidde art. 4 lid 1 RWN Pro:
"Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend."
3.7 Het oordeel van de rechtbank dat, hoewel naar de letter van art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN de vader ten tijde van de geboorte van de kinderen niet hun juridische vader was, de kinderen toch vanaf het tijdstip van erkenning door de vader geacht moeten worden aan deze bepaling het Nederlanderschap te ontlenen, is juist.
Art. 3 lid Pro 1 (oud) RWN doet het Nederlanderschap toekomen aan het kind dat afstamt van een Nederlander. De verkrijging van het Nederlanderschap krachtens erkenning is verbonden aan de familierechtelijke relatie met een Nederlander, met dien verstande dat door de erkenning het Nederlanderschap niet met terugwerkende kracht tot de geboorte wordt verkregen. Art. 3 lid Pro 3 (oud) verbindt van rechtswege het Nederlanderschap aan de hoedanigheid van kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.
Aan deze bepaling ligt ten grondslag de gedachte dat kinderen van de derde generatie een reële band met Nederland hebben en dat voor hen uit een oogpunt van inburgering in de Nederlandse samenleving geen enkel beletsel voor de verkrijging van het Nederlanderschap zal bestaan (vgl. Kamerstukken II 1982-1983, 16 947 (R1181), nr. 7, blz. 8-9). Dit in aanmerking genomen, vormt de enkele omstandigheid dat een postnatale erkenning niet terugwerkt tot de geboorte geen toereikende grond om aan een kind dat postnataal is erkend door een niet-Nederlander die aan de voorwaarden van art. 3 lid Pro 3 (oud) voldoet het Nederlanderschap te onthouden, terwijl een kind dat door een Nederlander wordt erkend het Nederlanderschap van rechtswege verkrijgt. Aangenomen moet dan ook worden dat de minderjarige vreemdeling die vóór 1 april 2003 erkend is door een ten tijde van zijn geboorte in Nederland wonende man die zelf geboren is uit een in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba wonende moeder, Nederlander wordt.
3.8 Op het voorgaande stuit het middel, dat met rechts- en motiveringsklachten opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat de kinderen het Nederlanderschap aan art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN kunnen ontlenen, af.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.