ECLI:NL:PHR:2009:BI8549

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03300
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 330 SvArt. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen cocaïnehandel en poging doodslag

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met een gevangenisstraf van zes jaren. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad bespreekt een aanvullend cassatiemiddel dat klaagt over onvoldoende motivering van het bewezenverklaren van de feiten omtrent medeplegen van cocaïnebezit en voorbereidingsmiddelen. Dit middel wordt verworpen omdat de bewijsmiddelen voldoende zijn.

Ambtshalve constateert de Procureur-Generaal dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom de strafoplegging voor zover nodig, vermindert de straf en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Conclusie

Nr. 08/03300
Mr. Bleichrodt
Zitting 16 juni 2009
Aanvullende conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 11 februari 2008 de verdachte ter zake van 1. "poging tot doodslag" 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en 4. "medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.
2. Tijdens de voorbereiding van deze zaak heb ik ten gevolge van een administratieve vergissing onder de stukken niet aangetroffen een namens de verdachte door mr. A. Neermawatie Nandoe, advocaat te Wassenaar, tijdig ingediende tweede schriftuur houdende een middel van cassatie. In deze aanvullende conclusie bespreek ik daarom alsnog het in die schriftuur voorgestelde middel.
3.1 Het middel klaagt over een onvoldoende met redenen omklede bewezenverklaring ten aanzien van de feiten 3 en 4, nu de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en 's Hofs nadere bewijsoverweging niet redengevend zijn voor het bewezenverklaarde medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne, voorbereiding- en of bevorderingsmiddelen voor de bewerking van cocaïne.
3.2 Anders dan het middel stelt meen ik dat het onder 3 en 4 ten laste van verdachte bewezenverklaarde in voldoende mate uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ik moge daarbij verwijzen naar wat ik in mijn eerder op 17 maart 2009 genomen conclusie onder rubriek 5 heb opgemerkt.
3.3 Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO Pro te ontlenen motivering worden afgedaan.
4. Ambtshalve merk ik nog op dat ondertussen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, nu namens de verdachte, ten tijde van de aanzegging gedetineerd, op 14 februari 2008 beroep in cassatie is ingesteld en thans al vast staat dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich mee dat eerder genoemde termijn is overschreden, wat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
5. Deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad aangewezen acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden