ECLI:NL:HR:2009:BG1656
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en beoordeling toevoeging verklaringen aan dossier
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden tijdens de cassatiefase. De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar.
Daarnaast werd het verweer behandeld dat de toevoeging van verklaringen die verdachte in het kader van een mogelijke deal had afgelegd, maar die uiteindelijk niet tot stand kwam, onrechtmatig zou zijn. Het hof had geoordeeld dat verdachte zelf het initiatief had genomen tot toevoeging van deze verklaringen aan het dossier en dat hij daarbij niet onder druk was gezet. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel dat stelde dat dergelijke toevoeging onder alle omstandigheden uitgesloten zou zijn.
Verder werd vastgesteld dat de verklaringen vanwege hun onbruikbaarheid niet als bewijs werden gebruikt en dat het openbaar ministerie niet met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte had gehandeld. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf en bepaalde dat de straf werd verminderd tot zes jaar en acht maanden gevangenisstraf.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot zes jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten werden verworpen.