ECLI:NL:HR:2008:BD1069
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt forfaitaire rendementsbepaling over vererfd vermogen zonder discriminatie
In deze zaak ging het om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002, vastgesteld ten name van een erflater die op 24 december 2002 overleed. De Inspecteur had het forfaitair rendement berekend naar elf maanden, rekening houdend met het overlijden in dat jaar. De erfgenamen betwistten dat de rendementsgrondslag werd berekend over de waarde van het vermogen per 31 december 2002, terwijl zij slechts gedurende een week in dat jaar gerechtigd waren tot het verkregene.
Het Hof verklaarde het beroep van de erfgenamen ongegrond en oordeelde dat de Inspecteur de rendementsgrondslag correct had vastgesteld. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de toegepaste methode geen verboden discriminatie oplevert. Het middel van de erfgenamen kon niet tot cassatie leiden en er was geen aanleiding tot nadere motivering.
De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten aan de erfgenamen toe te kennen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee is de forfaitaire rendementsbepaling over het aan het einde van het jaar vererfd vermogen bevestigd als rechtmatig en niet discriminerend.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de erfgenamen wordt ongegrond verklaard en de forfaitaire rendementsbepaling bevestigd.