ECLI:NL:GHAMS:2006:AW3548
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing bij overlijden en rendementsgrondslag in box 3
De erven van een overleden belastingplichtige hebben beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002. De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 5.3, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin het heffingspercentage over de gemiddelde rendementsgrondslag naar tijdsgelang wordt herleid bij overlijden.
De gemachtigde van de erven stelde dat door de huidige regeling sprake is van economische dubbele heffing, omdat het vermogen in hetzelfde belastingjaar over een langere periode wordt belast. Hij stelde voor om de rendementsgrondslag aan het einde van de belastingplicht van de overledene op nihil te stellen om deze dubbele heffing te voorkomen.
Het Hof oordeelde echter dat de wettelijke regeling bewust zo is gekozen en dat er geen sprake is van dubbele heffing ten aanzien van de overledene. Ook is er geen sprake van ongelijke behandeling die in strijd is met discriminatieverboden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de inspecteur werd niet veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de erven tegen de aanslag inkomstenbelasting over 2002 wordt ongegrond verklaard.