ECLI:NL:HR:2008:BC9550
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek kledingkosten prostituee en toepassing meerderheidsregel
Belanghebbende, werkzaam als prostituee in een door een ander geëxploiteerd bordeel, werd voor het jaar 2001 niet als ondernemer aangemerkt door de Inspecteur, die ook de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen handhaafde. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel af omdat de andere prostituees die wel als ondernemer werden aangemerkt, onder een andere inspecteur vielen die niet bevoegd was ten aanzien van belanghebbende.
De Hoge Raad overweegt dat de landelijke bevoegdheid van de Inspecteur pas vanaf 1 januari 2003 geldt en dat artikel 27 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 een praktische overgangsregeling biedt, maar niet meebrengt dat de Inspecteur bekend kan zijn met beslissingen van andere inspecteurs die niet bevoegd waren ten aanzien van belanghebbende. Hierdoor faalt het beroep op de meerderheidsregel.
Verder oordeelt het Hof dat belanghebbende geen werkkleding in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft aangeschaft en dat de uitzondering op de aftrekbeperking voor kleding- en verzorgingskosten niet op haar van toepassing is omdat prostituees niet behoren tot de genoemde beroepsgroepen (artiesten, presentatoren, sportbeoefenaars). De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de regeling niet onredelijk of discriminerend is.
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende niet als ondernemer wordt aangemerkt en geen aftrek van kleding- en verzorgingskosten krijgt.