ECLI:NL:HR:2007:BB7924

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41414
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op vertrouwen in akkoordverklaring afschrijving winkelpanden

Belanghebbende werd voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke na bezwaar en beroep door het Hof werd gehandhaafd. De zaak betrof de vraag of belanghebbende mocht vertrouwen op een akkoordverklaring van een ambtenaar over de wijze van afschrijving van winkelpanden en woningen.

De maatschap werd in 1990 opgericht om te beleggen in een winkelcentrum en bijbehorende panden. Voorafgaand aan de oprichting had de fiscaal adviseur van de bank een brief gestuurd aan een ambtenaar van de Belastingdienst met een verzoek om instemming met een bepaalde afschrijvingsmethode. Deze ambtenaar tekende de brief voor akkoord, waarna belanghebbende hiervan kennis nam.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen aan deze akkoordverklaring, omdat de ambtenaar niet als contactinspecteur optrad en belanghebbende ook onvoldoende grond had om dat aan te nemen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel dat hiertegen was gericht. De overige middelen werden niet behandeld omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; belanghebbende kon geen rechtmatig vertrouwen ontlenen aan de akkoordverklaring.

Uitspraak

Nr. 41.414
16 november 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2004, nr. 98/00825, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Op 24 september 1990 is op initiatief van een bank (hierna: de bank) een maatschap (hierna: de maatschap) opgericht met het doel vermogen te beleggen in een in dat jaar gereedgekomen en door de maatschap aan te kopen winkelcentrum met bijbehorende appartementen en parkeergarage.
3.1.2. Voorafgaand aan de oprichting van de maatschap heeft de fiscaal adviseur van de bank bij brief van 2 juli 1990 aan een ambtenaar (hierna: de ambtenaar), werkzaam bij de Belastingdienst Particulieren S, instemming gevraagd onder meer met een toe te passen afschrijving op de winkelpanden gedurende vijfentwintig jaren naar een vast percentage van de boekwaarde, op de woningen naar vijftien percent van de bruto huurwaarde, op de installaties lineair in tien jaren en op de inrichting van de winkels lineair in zes jaren. De ambtenaar heeft deze brief op 4 juli 1990 voor akkoord getekend. Belanghebbende heeft van deze instemming kennis gekregen doordat de bank de (potentiële) maten bij het opzetten van de maatschap daarvan op de hoogte heeft gebracht.
3.1.3. Met een betaling van ƒ 1 miljoen heeft belanghebbende vanaf de oprichting van de maatschap daarin voor 1/21ste gedeelte geparticipeerd.
3.2. Voor het Hof was primair in geschil of belanghebbende aan de in 3.1.2 omschreven akkoordverklaring het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de Inspecteur zou instemmen met de in de akkoordverklaring vermelde wijze van afschrijven.
3.3. Middel 1 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende aan de akkoordverklaring van 4 juli 1990 niet het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat de Inspecteur haar aangifte op de omstreden onderdelen zou volgen. Het Hof heeft voor dit oordeel onder meer redengevend geoordeeld dat de ambtenaar niet optrad als contactinspecteur, en dat belanghebbende ook onvoldoende grond had hem daarvoor aan te zien.
3.4. Deze redengeving geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst. Zij is ook niet onbegrijpelijk. Nu voormelde redengeving het oordeel van het Hof zelfstandig kan dragen, faalt het middel. De overige onderdelen van het middel kunnen derhalve buiten behandeling blijven.
3.5. De middelen 2 en 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2007.