ECLI:NL:HR:2007:BA6580
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van uitlevering op grond van Overeenkomst Nederland-Servië van 1896
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Federale Republiek van Bosnië en Herzegovina ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier jaar en zes maanden opgelegd door het Gerechtshof te Tuzla. De Hoge Raad beoordeelt de toelaatbaarheid van dit verzoek op basis van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië van 1896.
De Hoge Raad oordeelt dat de uitlevering toelaatbaar is voor het delict van openlijk geweld met vereende krachten tegen personen of goederen, maar ontoelaatbaar voor het delict van dood door schuld, omdat dit laatste niet onder de bepalingen van de Overeenkomst valt. De bewering van de opgeëiste persoon dat hij niet schuldig is, leidt niet tot ontoelaatbaarheid, aangezien het verzoek gebaseerd is op een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.
Verder is de rechter niet bevoegd om te beoordelen welk deel van de straf betrekking heeft op het toelaatbare delict en of reeds ondergane detentie in mindering moet worden gebracht; dit behoort tot de bevoegdheid van de verzoekende Staat. Ook bezwaren op grond van gezondheidstoestand en te vrezen martelingen worden verworpen, omdat deze beoordeling aan de minister van Justitie toekomt. Het feit dat de opgeëiste persoon al acht jaar in Nederland verblijft en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft, biedt geen grond voor ontoelaatbaarheid.
De Hoge Raad wijst een verzoek tot aanhouding van de behandeling af en verklaart de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar conform de genoemde overwegingen.
Uitkomst: De uitlevering wordt deels toelaatbaar verklaard voor openlijk geweld en deels ontoelaatbaar voor dood door schuld.