Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verzoek tot uitlevering van een persoon aan Albanië centraal, waarbij de verdediging vroeg om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek om getuigen te horen over de dreiging van bloedwraak en de bescherming door Albanese autoriteiten.
De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding en het horen van getuigen af, stellende dat de beoordeling van mogelijke mensenrechtenschendingen bij uitlevering aan de minister van Justitie toekomt. De rechtbank erkende de dreiging van bloedwraak, maar vond het niet noodzakelijk om getuigen te horen voor haar oordeel over de ontvankelijkheid van het verzoek.
De Hoge Raad bevestigde deze taakverdeling en overwoog dat het huidige wettelijke kader en de jurisprudentie niet verhinderen dat de rechtbank getuigen oproept, maar dat de uiteindelijke beoordeling van mensenrechtenschendingen aan de minister is voorbehouden. Het beroep van de opgeëiste persoon werd verworpen, waarmee de afwijzing van het verzoek tot aanhouding en het horen van getuigen gehandhaafd bleef.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding en het horen van getuigen wordt afgewezen.