ECLI:NL:HR:2006:AZ3175
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen heffingsrecht Nederland bij uitzending personeel naar Duitsland
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over het tijdvak 1998-1999, inclusief boete en heffingsrente. De naheffingsaanslag was gebaseerd op vergoedingen aan werknemers die in Duitsland voor een Duitse GmbH werkten, maar wier lonen via belanghebbende werden uitbetaald en doorbelast aan de GmbH.
Het Hof oordeelde dat de GmbH als werkgever moest worden aangemerkt en dat Nederland op grond van het belastingverdrag met Duitsland geen heffingsrecht had over de arbeidsbeloning voor de werkzaamheden in Duitsland. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, waarbij werd benadrukt dat de werknemers onder gezag van de GmbH stonden, de werkzaamheden voor rekening en risico van de GmbH werden verricht, en de loonkosten door belanghebbende aan de GmbH werden doorbelast.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten. Het arrest bevestigt de uitleg van artikel 10, lid 2, van het belastingverdrag Nederland-Duitsland over de heffingsbevoegdheid bij uitzending van personeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag wordt vernietigd.