ECLI:NL:HR:2006:AY8985
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs belastingfraude bij voetballerstransfer
De zaak betreft de transfer van een Australische voetballer van een Belgische club naar een Nederlandse club in 1995. Het openbaar ministerie beschuldigde de verdachte van het opzettelijk onjuist doen van aangiften loonbelasting en het voorhanden hebben van valse bescheiden, omdat een deel van de transfersom als verkapt tekengeld aan de speler zou zijn doorbetaald zonder belastingafdracht.
Het hof oordeelde dat de verdachte niet wettig en overtuigend schuldig was aan deze feiten. Uit het onderzoek bleek dat de betaling aan de speler mogelijk voortvloeide uit een verplichting van de Belgische club jegens de speler, vastgelegd in een contractbepaling die het recht op een deel van de transfersom regelde. Het hof vond de constructie van de betaling niet onwaarschijnlijk en sloot niet uit dat het geld aan de speler terechtkwam via een derde partij.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de beoordeling en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden, ook bij vrijspraak. De motivering van het hof was niet onbegrijpelijk en het middel faalde. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het openbaar ministerie en verklaarde het incidentele beroep van de verdachte niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende bewijs voor belastingfraude en valsheid in geschrift.