ECLI:NL:HR:2006:AW1646
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Vaststelling winst uit onderneming versus inkomsten uit vermogen bij legaat en schuldvermenging
Belanghebbende, een transportondernemer met een eenmanszaak, kreeg een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over 1999. Tot het ondernemingsvermogen behoorde een schuld met een hoofdsom en een rentebestanddeel, waarbij de rentebestanddeel in 1999 was toegevoegd. De schuldeiser overleed en liet bij legaat aan belanghebbende de rentevordering na, verkregen in privé.
Het hof oordeelde dat de rentevordering en het tenietgaan van de renteschuld door schuldvermenging tot de winst uit onderneming behoorden. De Hoge Raad stelde echter dat het legaat in privé was verkregen en de rentevordering daarom niet uit de onderneming voortkwam. Het voordeel uit het tenietgaan van de schuld door vermenging kon niet als winst uit onderneming worden aangemerkt.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling, met inachtneming van dit arrest. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem.