ECLI:NL:HR:2006:AT3920
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid belastingheffing bij uitzending van personeel naar Denemarken volgens Verdrag Nederland-Denemarken
Belanghebbende, binnenlands belastingplichtige, was in 1997 werkzaam bij een Nederlandse vennootschap binnen een internationaal concern en werd gedurende 95 dagen uitgezonden naar Denemarken om daar arbeid te verrichten op boorlocaties van een Deense zustermaatschappij. De Nederlandse BV betaalde het salaris aan belanghebbende en bracht de kosten van deze uitzending door aan de Deense zustermaatschappij.
Het geschil betrof de vraag of de belastingheffing over de inkomsten uit de werkzaamheden in Denemarken toekomt aan Nederland of Denemarken volgens het belastingverdrag Nederland-Denemarken. Het Hof oordeelde dat Nederland bevoegd was, maar de Hoge Raad stelde vast dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd.
De Hoge Raad overwoog dat de Deense zustermaatschappij als werkgever moet worden aangemerkt, omdat belanghebbende in een gezagsverhouding tot deze zustermaatschappij stond en de loonkosten door de Nederlandse BV geïndividualiseerd aan de Deense werkgever zijn doorbelast. Hierdoor komt de heffingsbevoegdheid toe aan Denemarken.
De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling, met inachtneming van deze overwegingen. Tevens worden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Dit arrest verduidelijkt de toepassing van artikel 14 van Pro het belastingverdrag bij uitzending van personeel binnen concernverband en de criteria voor toewijzing van heffingsbevoegdheid.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem.