ECLI:NL:HR:2003:AL6171

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00024/03 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit tankstations milieubeheerArt. 8.40, eerste lid, Wet milieubeheerArt. 365a, tweede lid, SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake overtreding milieuregels tankstationbeheer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van milieuregels gesteld in het Besluit tankstations milieubeheer. Het hof had vastgesteld dat verdachte als eigenaar en initiatiefnemer van het tankstation voldoende zeggenschap had om als degene die het tankstation drijft te worden aangemerkt.

Verdachte voerde in cassatie aan dat hij niet als drijver van het tankstation kon worden beschouwd, mede omdat hij geen huur ontving tijdens de verbouwing. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof zijn oordeel zorgvuldig had gemotiveerd en dat verdachte door zijn activiteiten en beslissingen, zoals het geven van opdrachten voor noodinstallaties, de feitelijke zeggenschap had.

De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting in het oordeel van het hof en zag geen aanleiding om het vonnis te vernietigen. Het beroep werd dan ook verworpen, waarmee de veroordeling tot een geldboete van € 2.495,-, subsidiair dertig dagen hechtenis, in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot geldboete en subsidiaire hechtenis blijft in stand.

Uitspraak

4 november 2003
Strafkamer
nr. 00024/03 E
AG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, van 7 oktober 2002, nummer 24/180127-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 17 december 2001 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, terwijl het feit opzettelijk is begaan" veroordeeld tot een geldboete van € 2.495,--, subsidiair dertig dagen hechtenis.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijer, advocaat te Veendam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat de verdachte moet worden aangemerkt als "degene die een tankstation drijft" in de zin van het hier toepasselijke art. 3 van Pro het Besluit tankstations milieubeheer (Besluit van 20 januari 1994, Stb. 53).
4.2. Genoemd art. 3 luidt Pro, voorzover te dezen van belang:
"Degene die een tankstation voor het wegverkeer type B drijft, dient te voldoen aan de voorschriften (...)".
4.3. Overeenkomstig de tenlastelegging heeft het Hof - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - bewezenverklaard dat de verdachte "als degene die een tankstation voor het wegverkeer type B dreef", welke woorden aldaar zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt in voormeld art. 3 Besluit Pro tankstations milieubeheer, niet heeft voldaan aan de in de bewezenverklaring vermelde voorschriften.
4.4. Een nadere bewijsoverweging van het Hof houdt dienaangaande het volgende in:
"Op grond van de volgende, uit de bewijsmiddelen blijkende feiten is het hof van oordeel dat verdachte degene was die een tankstation dreef:
- verdachte was de eigenaar van het tankstation;
- verdachte ondernam alle activiteiten om een nieuw
en aan alle eisen voldoend tankstation te realiseren;
- blijkens de verklaring van de huurder/exploitant van het tankstation heeft verdachte opdracht gegeven tot het aanleggen van de noodinstallatie;
- verdachte heeft bij brief van 13 juli 2000, gericht aan de Regiopolitie Groningen, bevestigd dat hij die opdracht heeft gegeven.
De omstandigheid dat verdachte blijkens zijn verklaring geen huur ontving tijdens de verbouwing van het tankstation maakt het voorgaande niet anders."
4.5. Het Hof heeft, gelet op die vaststellingen, geoordeeld dat de verdachte een zodanige zeggenschap had met betrekking tot het tankstation, dat hij kon worden aangemerkt als "degene die een tankstation drijft". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting
4.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 november 2003.