1 HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2. onder c.
2 Dit tweede lid is bij Wet van 20 juni 2002, Stb. 2002, 347, ingevoegd en per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216).
3 Met ingang van 1 juli 2005 (Stb. 2005, 320) luidt lid 1: "Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens artikel 1, eerste of vierde lid, of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing." (Stb. 2005, 282)
4 Vgl. Kamerstukken II, 2001-2002, 26 883, nr. 47, p. 2, Kamerstukken II 1989-1990, 21 087, nr. 6, p. 68, 82. Voorts C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen, Deventer: Kluwer, p. 39, 40.
5 Het navolgende ontleen ik ten dele mede aan mijn conclusie bij HR 9 maart 2004, LJN AN9919 (Schiphol).
6 Zie voor het uitstrekken van het verbod tot anderen dan de drijver van de inrichting C.L. Knijff, M en R 1999, p. 284.
7 Art. 1.1 lid 1 Wm bevat een algemene beschrijving van het begrip "inrichting", lid 4 van die bepaling regelt wat als één inrichting moet worden beschouwd.
8 Vz. ABRvS 31 juli 1998, AB 1999, 45, m.nt. C.L. Knijff.
9 Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel moet ervan worden uitgegaan dat zich in casu niet het geval voordoet van art. 8.20 lid 2 Wm. Dat betekent dat de in art, 8.20 lid 1 Wm beschreven zorgplicht voor de verdachte als vergunninghouder en drijver van een inrichting, een overslagbedrijf, onverkort voor de verdachte blijft bestaan en er geen reden is art. 18.18 Wm aldus op te vatten dat deze bepaling zich niet richt tot een vergunninghouder tevens drijver van de vergunde inrichting, voor zover deze een deel van de vergunde werkzaamheden overlaat aan op haar terrein uit hoofde van een huurovereenkomst onder de paraplu van haar vergunning werkende bedrijven. Vgl. HR 9 maart 2004, LJN AN9919, JM 2004, 85 m. nt. Koopmans.
10 Noot FM bij ABRvS 28 december 1999, AB 2000, 107 en C.L. Knijff, "Wie drijft de inrichting?", M en R 1999, p. 284-290.De laatste wijst er op dat de Afdeling Bestuursrechtspraak ook wel andere criteria gebruikt, die echter haars inziens zijn terug te brengen op het begrip zeggenschap, mits dat niet alleen feitelijk maar ook juridisch wordt ingevuld. De wetsgeschiedenis, in het bijzonder Kamerstukken II, 1988-1989, 21 087, nr. 3, p. 82, geeft op de keper beschouwd geen nadere invulling aan het begrip "drijven van een inrichting" in de zin van art. 8.20 lid 1 Wm. In ABRvS 12 augustus 2009, nr. 200807416/1/H1 wordt nog eens overwogen dat als vereiste voor het opleggen van een last onder dwangsom geldt dat de overtreder het in zijn macht heeft om aan de situatie een einde te maken (rov. 2.4.1).
11 Knijff, a.w., p. 286-287. Zie voor het belang van zeggenschap voor het drijven van een inrichting ook ABRvS 22 augustus 2001, AB 2002, 88, m.nt. Mw.V.M.Y van 't Lam.
12 Zie ook Vz. ABRvS 23 juni 2000, LJN AH8221, KG 2000, 183, waar een projectontwikkelaar onvoldoende macht werd toegedicht om het feitelijk en rechtens in haar macht te hebben aan de verboden toestand een einde te maken, alsmede ABRvS 30 januari 2008, 200702980/1.
13 Zie voor een overzicht van aansprakelijkheid en daderschap in het bestuursrecht H.E. Bröring en F.R. Vermeer, De functionele dader in het bestuurlijk sanctierecht, JB Plus 2003, p. 124-139.
14 O.a. HR 8 december 1998, LJN ZD1320; HR 13 november 2001, NJ 2002, 219.
15 Zie voor een overzicht van de verschillende opvattingen in de literatuur over de toepassing van daderschapcriteria H.D. Wolswijk, Functioneel daderschap en IJzerdraadcriteria, DD 2001, p. 1088-1114. Zie voor een bespreking van bedoeld arrest ook E. Gritter, Duidelijkheid omtrent corporatief daderschap, TOS 2004, p. 31 e.v, M. Kessler, Het daderschap van de rechtspersoon, in Rubriek economisch strafrecht, TOS 2004, p. 106 e.v., E. Gritter, De strafbaarheid van de rechtspersoon, in Plegen en deelnemen, onder redactie van J.B.J. van der Leij, Deventer: Kluwer 2007, p. 46 e.v., J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2009, vierde druk, p. 165 e.v., A.J.A. van Strien, Het Zijpe-arrest, Strafblad 2006, p. 234 e.v., M. Kessler, Beschikkingsmacht centraal bij functioneel plegen, in Pet af. Liber Amicorum D.H. de Jong, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 201 e.v.
16 Voor wat betreft het bestuursrecht wijs ik op ABRvS 15 april 2009, 200805642/1/H1 waar de huurder zeggenschap werd toegedicht om de overtreding te beëindigen en ABRvS29 juli 2009, 200900107/1/H3 waar de eigenaar geacht werd het in zijn macht te hebben om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te beëindigen ook al waren de panden verhuurd.
17 Vgl. HR 30 mei 2006, LJN AV2344, waar verdachtes verantwoordelijk achten voor de gang van zaken in de coffeeshop hem niet tot medepleger maakte van de verboden verkoop van verdovende middelen. Zie ook HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 (ijzerdraad), waar de Hoge Raad in twijfel trok of verdachtes mededeling dat hij als eigenaar verantwoordelijk was voor hetgeen in strijd met de wet was geschied, maar onzeker moest worden geacht of die opgave van verdachte wel zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid betrof. In HR 13 november 2001, NJ 2002, 217 droeg verdachte, een rechtspersoon de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het milieu terwijl de werkzaamheden in opdracht van en onder leiding van de verdachte werden verricht; verdachte had een manager voor o.a. milieu aangesteld terwijl de werkzaamheden werden begeleid door de company representative en over de werkzaamheden rapport werd uitgebracht aan de verdachte. In die omstandigheden kon de verboden, bij de uitvoering van de werkzaamheden verrichte olielozing aan de verdachte worden toegerekend. Een zo prominente rol vervulde de verdachte hier niet.
18 In HR 13 november 2001, NJ 2002, 219 voorzag de verdachte in (intensief) toezicht op de uitgevoerde werkzaamheden met het oog op de bescherming van het milieu. Een dergelijk toezicht valt in het onderhavige geval niet uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden.