ECLI:NL:HR:2003:AF5555
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Verhouding tussen terbeschikkingstelling en voorlopige machtiging Wet Bopz
Betrokkene was ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Na verlengingen en beëindigingen onder voorwaarden, verzocht de officier van justitie verlenging van de tbs. De rechtbank schortte de beslissing op om een voorlopige machtiging Wet Bopz te verkrijgen. Na hoorzittingen verleende de rechtbank een voorlopige machtiging voor zes maanden.
De officier van justitie stelde beroep in cassatie tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelde dat tijdens een lopende terbeschikkingstelling met of zonder voorwaardelijke beëindiging van verpleging geen onvoorwaardelijke voorlopige machtiging Wet Bopz mag worden verleend, om conflicten en onduidelijkheid over de rechtsgrond voor vrijheidsberoving te voorkomen.
De Hoge Raad stelde dat voorrang moet worden gegeven aan beslissingen in het kader van de terbeschikkingstelling en dat in uitzonderlijke gevallen een voorwaardelijke machtiging kan worden verleend als de tbs onvoorwaardelijk wordt beëindigd. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voorlopige machtiging Wet Bopz tijdens lopende terbeschikkingstelling en verwijst de zaak terug.