ECLI:NL:HR:2002:ZE0001
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en vervangende hechtenis
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van ƒ 453.000,-- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 36 maanden bij niet-betaling.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro niet is overschreden, ondanks het aanhouden van de procedure in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Tevens wordt bevestigd dat voor de ontnemingsmaatregel een veroordeling in de hoofdzaak noodzakelijk is en dat deze voldoende blijkt uit het hofarrest.
De Hoge Raad verwerpt het verweer dat rentevergoeding over inbeslaggenomen gelden in mindering zou moeten worden gebracht op de betalingsverplichting. Dit is alleen aan de orde bij teruggave van het geld, wat hier niet het geval is. Ook het motief van het hof voor de duur van de vervangende hechtenis wordt als voldoende gemotiveerd beoordeeld. Het beroep wordt derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betrokkene is gehouden tot betaling van ƒ 453.000,-- met vervangende hechtenis van 36 maanden bij niet-betaling.