ECLI:NL:HR:2001:AD6419
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing assurantiebelasting bij concernverzekeringen volgens EU-richtlijn
Deze zaak betreft het cassatieberoep van een Public Limited Company tegen een naheffingsaanslag assurantiebelasting over de periode van 1 juli 1990 tot en met 31 mei 1994. De kern van het geschil is de uitleg van het begrip 'vestiging' in de Tweede richtlijn (88/357/EEG) inzake de heffing van assurantiebelasting op premies betaald binnen concernverband.
De Hoge Raad verwijst naar een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 2001, waarin werd vastgesteld dat lidstaten assurantiebelasting mogen heffen over premies betaald door een in een andere lidstaat gevestigde rechtspersoon voor de verzekering van bedrijfsrisico's van dochter- of kleindochtervennootschappen in de heffende lidstaat. Dit begrip 'vestiging' omvat aldus ook concernvennootschappen anders dan moeder- en dochtermaatschappijen.
De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de richtlijn het begrip vestiging overeenkomstig deze uitleg heeft geïnterpreteerd en dat het cassatieberoep faalt. Tevens wordt het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel verworpen, omdat de richtlijn en de nationale wetgeving duidelijk stelden dat de gewijzigde regels vanaf 30 juni 1990 van toepassing zijn. De Hoge Raad verwerpt het beroep en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de naheffingsaanslag assurantiebelasting blijft in stand.