ECLI:NL:HR:2000:AA7690
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verdeling en verrekening van tijdens huwelijk opgebouwde pensioenrechten bij echtscheiding
De zaak betreft de verdeling van pensioenrechten die de man tijdens het huwelijk met de vrouw heeft opgebouwd, na ontbinding van hun huwelijksgemeenschap. De vrouw vorderde dat deze pensioenrechten in de boedel zouden worden betrokken en dat zij maandelijks de helft van de toekomstige pensioentermijnen zou ontvangen. De man bestreed deze vorderingen en stelde dat het Nederlands-Antilliaans huwelijksgoederenrecht van 1982 van toepassing was.
De lagere gerechten veroordeelden de man tot betaling aan de vrouw van een jaarlijkse uitkering en een bedrag van Afl. 1.085,92, vermeerderd met wettelijke rente. Het Hof vernietigde het eerdere vonnis en stelde de betaling met ingang van 1985 vast, inclusief een verhoging van het ouderdomspensioen met duurtetoeslagen. De man stelde beroep in cassatie tegen het oordeel over de wettelijke rente.
De Hoge Raad oordeelde dat de pensioenrechten bij de verdeling van de gemeenschap horen, ook al bestonden sommige aanspraken pas na ontbinding van het huwelijk. Het Hof had terecht de duurtetoeslagen betrokken bij de verrekening. De vordering tot betaling van wettelijke rente over de pensioenbedragen werd echter afgewezen omdat zolang de verdeling nog niet is vastgesteld, geen sprake is van verzuim. Het arrest vernietigt het oordeel over de rente en wijst die vordering af, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel over wettelijke rente en wijst die vordering af, terwijl de verdeling van pensioenrechten zoals vastgesteld wordt gehandhaafd.