ECLI:NL:HR:1999:AA3877
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Jansen
- raadsheer Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling erkenning minderjarige en weigering toestemming biologische vader
De man verzocht bij de rechtbank om erkend te worden als vader van zijn dochter, geboren in 1992, en om de gemeente te verplichten mee te werken aan de erkenning. Na een eerdere erkenning van het kind door een andere man en het huwelijk van de moeder met deze man, werd het verzoek van de man afgewezen door de rechtbank en het hof. De man stelde cassatieberoep in tegen deze beslissingen.
De Hoge Raad overwoog dat onder het vóór 1 april 1998 geldende afstammingsrecht de moeder bevoegd is om toestemming tot erkenning te weigeren, tenzij sprake is van misbruik van die bevoegdheid. In dit geval heeft het hof geoordeeld dat de moeder een te respecteren belang had bij haar weigering en dat er geen sprake was van misbruik. De man had bovendien ruimschoots gelegenheid gehad om vervangende toestemming te vragen, maar had daar geen gebruik van gemaakt.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en andere internationale verdragen. De feitelijke waarderingen van het hof zijn niet onbegrijpelijk en kunnen in cassatie niet worden getoetst. Het beroep van de man wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de erkenning door de nieuwe man geldig is en de man niet tot erkenning wordt toegelaten.