ECLI:NL:PHR:2002:AE0745
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vervangende toestemming erkenning kind ondanks bezwaren moeder
In deze zaak wenste de biologische vader het kind te erkennen, maar weigerde de moeder haar toestemming. De vader verzocht daarom de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen, wat de rechtbank ook deed. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, waarbij het hof de vervangende toestemming bevestigde en de door de moeder aan haar echtgenoot verleende toestemming tot erkenning nietig verklaarde omdat de moeder haar toestemming niet meer kon geven nadat de rechtbank vervangende toestemming aan de vader had verleend.
De Hoge Raad bevestigt dat bij de belangenafweging in art. 1:204 lid 3 BW Pro het belang van de vader en het kind op erkenning als familierechtelijke rechtsbetrekking primair is, mits dit niet leidt tot schade aan het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of aan het belang van het kind zelf. De Hoge Raad wijst erop dat het feit dat de vader geen aandeel heeft gehad in de opvoeding niet doorslaggevend is en dat de wetgever met deze regeling meer aansluiting wil zoeken bij de biologische werkelijkheid.
De Hoge Raad verwierp de klachten van de moeder over de motivering van het hof en bevestigde dat de aan de echtgenoot van de moeder verleende toestemming niet rechtsgeldig was omdat de moeder wist dat de vader wilde erkennen en de rechtbank al vervangende toestemming had verleend. Het beroep van de moeder werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de vervangende toestemming voor erkenning door de vader bevestigd.