ECLI:NL:PHR:2001:ZC3603
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over samenlevingsverweer bij alimentatie na echtscheiding
Partijen zijn in 1966 getrouwd en in 1995 gescheiden waarbij de man alimentatie aan de vrouw moest betalen. De man verzocht de alimentatie te beëindigen omdat de vrouw met een ander samenwoonde als ware zij gehuwd. De rechtbank verwierp dit samenlevingsverweer omdat de relatie niet duurzaam was.
Het hof vernietigde dit oordeel en stelde vast dat de vrouw van september tot december 1997 met de ander en diens zoon samenwoonde in een gemeenschappelijke huishouding met wederzijdse verzorging, waardoor de alimentatieverplichting eindigde. De vrouw stelde dat de relatie tijdelijk was en dat de wederzijdse verzorging niet voldoende was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of de relatie duurzaam was en of er daadwerkelijk sprake was van wederzijdse verzorging. Ook is onduidelijk of het hof de stelling van de vrouw dat de bijdrage van de ander beperkt was tot kostgeld, heeft meegewogen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor nadere beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling.