ECLI:NL:HR:1998:AA7411
Hoge Raad
- Cassatie
- Bellaart
- Van Brunschot
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende was in 1991 aanvankelijk aangeslagen voor inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op een belastbaar inkomen van f 3.215,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 29.654,--, inclusief een verhoging van 50% en heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de navorderingsaanslag en het bestreden besluit vernietigde.
Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan. De Staatssecretaris van Financiën verzette zich tegen het cassatieberoep. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en oordeelde dat het beroep niet ontvankelijk was omdat een gegrondverklaring geen gunstiger uitkomst voor belanghebbende zou opleveren.
De Hoge Raad wees ook proceskostenveroordeling af vanwege het ontbreken van de vereiste gronden. Het arrest werd op 16 december 1998 vastgesteld door de raadsheren Bellaart (voorzitter), Van Brunschot en Hammerstein en in het openbaar uitgesproken. Het betaalde griffierecht werd aan belanghebbende teruggegeven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een gegrondverklaring niet tot een gunstiger resultaat leidt.