ECLI:NL:HR:1996:AA1794
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waarderingsgrondslag onroerendgoedbelasting stadion Rotterdam
Belanghebbende, X N.V., kreeg voor 1988 een aanslag onroerendgoedbelasting opgelegd door de gemeente Rotterdam voor het gebruik van het stadion aan de a-straat 1 te Z. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar het Gerechtshof vernietigde dit en stelde een lagere aanslag vast op basis van een waarde in het economische verkeer van het stadion.
Beide partijen stelden cassatieberoep in tegen het Hofarrest. De Hoge Raad overwoog dat de heffingsgrondslag in beginsel de waarde in het economische verkeer is, tenzij deze aanzienlijk lager ligt dan de gecorrigeerde vervangingswaarde. De stelling van belanghebbende dat de bedrijfswaarde als lagere waarde moet gelden, werd verworpen.
Het Hof had terecht rekening gehouden met de prijs van de aandelen op de incourante markt bij de waardering, en het oordeel dat de waarde in het economische verkeer overeenkomt met de prijs die een verkrijger zou betalen die het stadion onmiddellijk en volledig in gebruik neemt, was niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad wees ook het beroep af dat de vrijstelling voor ongebouwde recreatie-eigendommen onrechtmatig beperkt zou zijn, omdat dit argument pas bij pleidooi was ingebracht. De Hoge Raad veroordeelde de Directeur tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende en wees de gemeente Rotterdam aan als de kostenverantwoordelijke.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en bevestigt de waardering van het stadion op basis van de waarde in het economische verkeer.