ECLI:NL:HR:1996:AA1502
Hoge Raad
- Cassatie
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen invorderingskosten bij onmogelijkheid kennis belastingaanslag
In deze zaak stond de vraag centraal of kosten van invordering in rekening mogen worden gebracht wanneer een belastingplichtige niet in de gelegenheid is geweest om een navorderingsaanslag te betalen voordat een dwangbevel werd betekend. Belanghebbende was geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1990, waarvoor door de ontvanger kosten van f 835,- in rekening werden gebracht.
Het Gerechtshof Amsterdam had deze kosten verminderd tot nihil omdat de betekening van het dwangbevel plaatsvond op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet, maar belanghebbende was niet thuis om het aanslagbiljet in ontvangst te nemen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het onaanvaardbaar is dat kosten worden opgelegd zonder dat de belastingplichtige de formele belastingschuld heeft kunnen kennen en voldoen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën en legde de proceskosten van f 355,- voor rechtsbijstand aan de Staatssecretaris op. Hiermee werd bevestigd dat de wettelijke bepalingen in de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen zodanig moeten worden uitgelegd dat de belastingplichtige niet wordt benadeeld indien hij niet in de gelegenheid is gesteld de aanslag te voldoen voordat kosten worden opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de in rekening gebrachte invorderingskosten worden niet toegewezen.