ECLI:NL:HR:1995:AA1652
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek vaststelling bestemmingswijzigingswinst bij verkoop landbouwgrond
Belanghebbende exploiteert samen met een medevennoot een veehouderij en kaasmakerij en verkocht in 1990 een perceel grond aan de gemeente voor de aanleg van een fietspad. De verkoopprijs bedroeg ƒ 16.325,-- terwijl de boekwaarde ƒ 6.181,-- was. In de aangifte inkomstenbelasting over 1990 werd de winst uit deze verkoop berekend als het verschil tussen verkoopprijs en boekwaarde, maar slechts de helft van deze winst werd in mindering gebracht met de vermelding "af: winst verkoop landbouwgronden".
De inspecteur verwierp de landbouwvrijstelling en verhoogde de winst met ƒ 5.072,--. Later stelde de inspecteur dat de bijtelling ƒ 3.072,-- moest bedragen, gebaseerd op de verkoopprijs minus de agrarische verkeerswaarde. Het Hof vernietigde het bezwaar van belanghebbende en oordeelde dat de aangifte geen verzoek tot vaststelling van bestemmingswijzigingswinst zoals bedoeld in artikel 70, lid 3, Wet inkomstenbelasting 1964 bevatte.
Belanghebbende stelde in cassatie dat ieder verzoek om landbouwvrijstelling ook een verzoek tot vaststelling van bestemmingswijzigingswinst inhoudt en dat het Hof het vertrouwensbeginsel onjuist had toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat een enkel beroep op landbouwvrijstelling niet gelijkstaat aan een verzoek tot vaststelling bestemmingswijzigingswinst en dat het Hof terecht is uitgegaan van de feitelijke inhoud van de aangifte en de brief van de Staatssecretaris. Het cassatieberoep werd verworpen.
De Hoge Raad wees ook af dat proceskosten aan belanghebbende worden opgelegd en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het verzoek tot vaststelling bestemmingswijzigingswinst niet in de aangifte was verwerkt.