Uitspraak
26 juni 1987.
Hoge Raad
In deze zaak staat het verhaalsrecht van een bedrijfsvereniging jegens een aansprakelijke echtgenoot centraal, nadat diens echtgenote arbeidsongeschikt werd door een aanrijding veroorzaakt door hem. De echtgenoten waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen. De bedrijfsvereniging vorderde verhaal op de aansprakelijkheidsverzekeraar van de echtgenoot voor de door haar betaalde WAO-uitkeringen.
De rechtbank en het hof wezen de vordering toe, maar de Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof. De Hoge Raad stelde vast dat wanneer het slachtoffer en de aansprakelijke echtgenoot op het moment van het ongeval gehuwd zijn, ongeacht of zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht heeft op de echtgenoot of diens verzekeraar. Dit om te voorkomen dat het slachtoffer wordt benadeeld doordat uitkeringen en aansprakelijkheidsvergoedingen binnen de huwelijkse gemeenschap vallen.
De Hoge Raad benadrukte dat dit ook geldt als de echtgenoten niet in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, omdat de uitkeringen doorgaans worden gebruikt voor de gemeenschappelijke huishouding en het verhaal daardoor het slachtoffer zou benadelen. Verhaalsrechten blijven echter bestaan voor uitkeringen waarop het slachtoffer recht had vóór het huwelijk. De zaak werd terugverwezen voor verdere beoordeling van die uitkeringen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en oordeelt dat de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht heeft op de aansprakelijke echtgenoot of diens verzekeraar bij arbeidsongeschiktheid van de andere echtgenoot, ook zonder gemeenschap van goederen.