Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 15 juni 1981 betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1975 tot en met 31 december 1977;
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteerde een zelfbedieningswinkel en hield een kasadministratie bij die volgens de Inspecteur onvolledig was, wat leidde tot een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1975. Het hof bevestigde deze aanslag op grond van diverse indicaties zoals afgeronde dagontvangsten, negatieve kassaldi bij tussentijdse tellingen en verschillen tussen kasboeken.
Belanghebbende voerde aan dat de onvolkomenheden verklaarbaar waren door praktische omstandigheden zoals wisselgeld en late boekingen, en dat het lage bruto-winstpercentage verklaard kon worden door concurrentie en brancheontwikkelingen. Het hof oordeelde echter dat de sanctie van afwijzing van het beroep terecht was vanwege niet-nakoming van administratieve verplichtingen.
De Hoge Raad stelde vast dat de wettelijke verplichting tot het bijhouden van een geldadministratie niet zo strikt is als het hof aannam, en dat onvolkomenheden van gering belang niet leiden tot de zware sanctie van omkering van de bewijslast. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug vanwege onrechtmatige toepassing van de sanctie bij geringe onvolkomenheden in de kasadministratie.