Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 10 oktober 1969 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1965;
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteerde een landbouwbedrijf en verkocht in 1962 percelen dijk en bouwland met een recht van wederinkoop en pacht. In 1965 verkocht hij dit recht aan derden, waarbij een aanzienlijke boekwinst ontstond. De Inspecteur stelde dat deze winst niet onder de landbouwvrijstelling viel, omdat het recht van wederinkoop geen zakelijk recht was en de economische eigendom niet bij belanghebbende bleef.
Het Hof oordeelde dat het recht van wederinkoop geen zakelijk recht gaf en dat belanghebbende niet als economisch eigenaar kon worden beschouwd. Daarom wees het Hof de landbouwvrijstelling af en verhoogde het belastbaar inkomen. Belanghebbende stelde cassatie in en voerde aan dat het recht van wederinkoop wel een zakelijke werking heeft en dat hij praktisch de economische eigendom bezat.
De Hoge Raad stelde dat de landbouwvrijstelling mede van toepassing kan zijn op waardevermeerdering van grond via een recht van wederinkoop, mits dit tot uiting komt in het vermogen van de belastingplichtige die het landbouwbedrijf uitoefent. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor nadere behandeling, omdat het Hof onvoldoende was ingegaan op de stelling van de Inspecteur dat de waardestijging door interne factoren was veroorzaakt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling over de toepassing van de landbouwvrijstelling op het recht van wederinkoop.