Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:845

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.321.599_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 3:316 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring vernietigingsbevoegdheid effectenleaseovereenkomsten door echtgenote

In deze zaak staat centraal of de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote op grond van artikel 1:89 BW Pro voor effectenleaseovereenkomsten is verjaard. De echtgenote had geen schriftelijke toestemming gegeven voor het aangaan van de leaseovereenkomsten, maar stelde deze vernietigen te kunnen wegens het ontbreken van die toestemming.

De kantonrechter had een bewijsvermoeden aangenomen dat de echtgenote al meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis had van de overeenkomsten, maar oordeelde dat dit vermoeden was ontzenuwd. Het hof herbeoordeelt dit en concludeert dat de echtgenote al kort na het sluiten van de overeenkomsten in 1998 daadwerkelijk bekend was met het bestaan ervan, onder meer door bankafschriften en getuigenverklaringen.

De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan op het moment van daadwerkelijke bekendheid, niet op het moment van kennis van de juridische gevolgen. De collectieve actie van 13 maart 2003 stuit de verjaring, maar omdat de echtgenote al vóór 13 maart 2000 bekend was, was de vernietigingsbevoegdheid bij de brief van 21 mei 2007 verjaard.

Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan na betaling van een positief saldo. De proceskosten worden aan de zijde van de echtgenote toegewezen.

Uitkomst: De vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote is verjaard, waardoor de leaseovereenkomsten geldig zijn en Dexia aan haar verplichtingen heeft voldaan na betaling van het positieve saldo.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.321.599/01
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
op het bij exploot van dagvaarding van 23 december 2022 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 9 december 2021 en van 24 november 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen Dexia als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1.Waar gaat deze zaak over

Tussen Dexia en afnemer zijn meerdere effectenleaseovereenkomsten gesloten. De echtgenote van afnemer had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten. De echtgenote heeft Dexia per brief bericht dat zij, vanwege het ontbreken van toestemming de overeenkomsten vernietigt (op grond van art. 1:88 en Pro 1:89 BW). In deze zaak staat de vraag centraal of de vernietigingsbevoegdheid van artikel 1:89 BW Pro is verjaard. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden aangenomen dat de echtgenoot wist van de overeenkomst. In het kader van het te leveren tegenbewijs zijn de echtgenoten als getuigen gehoord. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat het bewijsvermoeden voldoende is ontzenuwd en de vordering van Dexia voorwaardelijk toegewezen. Het hof beoordeelt de vordering van Dexia en het verweer van de afnemer opnieuw.

2.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9208090 EL 21-20)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor vermelde vonnissen.

3.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep,
  • de memorie van grieven,
  • de memorie van antwoord,
  • de akte uitlaten producties van de zijde van Dexia.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

4.De feiten

De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak, voor zover relevant, om het volgende:
4.1.
Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na
een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar
rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene
titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.
4.2.
[geïntimeerde] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee staat vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
37001532
23-05-1998
Spaarleasen
180 mnd
ƒ 45.100,80
II.
37001533
23-05-1998
Spaarleasen
180 mnd
ƒ 45.100,80
4.3.
Dexia heeft met betrekking tot deze leaseovereenkomsten eindafrekeningen
opgesteld met de volgende resultaten:
Nr.
Datum
eindafrekening
Resultaat
I.
23-05-2007
+ € 3.553,70
II.
23-05-2007
+ € 3.553,70
4.4.
[persoon A] (verder: [persoon A] ) heeft [geïntimeerde] , met wie zij ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten.
4.5.
Bij brief van 21 mei 2007 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [persoon A] met een
beroep op artikel 1:89 BW Pro de leaseovereenkomsten vernietigd.
4.6.
Bij brief van 19 februari 2021 heeft Dexia [geïntimeerde] uitgenodigd om hetzij te
bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel
sprake is van een vordering. [geïntimeerde] heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd.

5.De procedure bij de rechtbank

5.1.
In eerste aanleg heeft Dexia na vermindering en wijziging van eis gevorderd, te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten van effectenlease, na betaling van een door de rechtbank vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
5.2.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 9 december 2021 een (bewijs)vermoeden aangenomen dat [persoon A] onder meer door kennisname van één of meer bankafschriften vanaf de en/of rekening die op naam van [geïntimeerde] en [persoon A] stond meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze leaseovereenkomst, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling dat de vernietigingsmogelijkheid ten tijde van het versturen van de vernietigingsbrief was verjaard, is geslaagd. [geïntimeerde] is in de gelegenheid gesteld om tegen het bewijsvermoeden tegenbewijs te leveren. Daarop zijn door de rechtbank als getuigen gehoord [geïntimeerde] en [persoon A] . Voorafgaand aan het getuigenverhoor hebben [geïntimeerde] en [persoon A] telefonisch de vragen als geformuleerd in het tussenvonnis beantwoord aan de gemachtigde van [geïntimeerde] , die daarvan schriftelijke verklaringen heeft opgesteld. Deze verklaringen zijn ter gelegenheid van het getuigenverhoor door [geïntimeerde] en [persoon A] ondertekend en aan het proces-verbaal gehecht.
5.3.
Bij eindvonnis van 24 november 2022 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] geslaagd geoordeeld in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden, zodat sprake is van een rechtsgeldige vernietiging van de Leaseovereenkomsten. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot de Leaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van € 13.511,36, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

6.De vordering en het verweer in hoger beroep

6.1.
Dexia is onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen. De eerste grief heeft betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat de vernietigingsbevoegdheid van [persoon A] niet reeds was verjaard ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring. De tweede grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling van Dexia. Dexia vordert zowel het tussenvonnis als het eindvonnis te vernietigen en haar vorderingen alsnog volledig toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
6.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten in hoger beroep.

7.De beoordeling in hoger beroep

Geen grieven gericht tegen tussenvonnis
7.1.
Het hof stelt voorop dat Dexia geen grieven heeft gericht tegen het tussenvonnis van 9 december 2021 en verstaat de omvang van het hoger beroep aldus dat de beslissingen van de kantonrechter in het tussenvonnis niet worden bestreden. Voor zover het hoger beroep tevens is gericht tegen het tussenvonnis, zal Dexia in het beroep daarvan niet-ontvankelijk worden verklaard.
Grief I, tijdige vernietiging?
7.2.
Zoals de kantonrechter in het tussenvonnis heeft geoordeeld (zie rechtsoverweging 4.3.) bedraagt de verjaringstermijn van het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW Pro op grond van artikel 3:52, lid 1, aanhef en onder d, BW drie jaar gerekend vanaf het moment waarop de bevoegdheid tot vernietiging ten dienste is komen te staan aan de echtgenoot van wie de toestemming (de schriftelijke toestemming van artikel 1:88 lid 3 BW Pro die in dit geval ontbreekt) was vereist. Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door de niet-handelende echtgenoot, wegens het ontbreken van toestemming, aan op het moment dat die echtgenoot daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Het is niet zo dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de niet-handelende echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bij de niet-handelende echtgenoot bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866 en HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168).
7.3.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in het arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eagalease de verjaring van de bevoegdheid van de niet-handelende echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in situaties waarin overeenkomsten weliswaar eerder zijn gesloten, maar de echtgenoot pas na 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst en de verjaring wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve actie.
7.4.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW Pro). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.
7.5.
Vast staat dat de verjaring voor het eerst op 13 maart 2003 is gestuit, namelijk door de aanvang van de genoemde collectieve procedure. De verklaring tot vernietiging van [persoon A] is uitgebracht op 21 mei 2007, dus nog voordat de collectieve procedure in 2007 eindigde. Dat betekent dat het vernietigingsrecht van [persoon A] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn vóór 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [persoon A] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst.
7.6.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis ten aanzien van de overeenkomsten ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden aangenomen dat [persoon A] onder meer door kennisname van één of meer bankafschriften van de en/of rekening, die op naam van [geïntimeerde] en [persoon A] stond, meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze overeenkomsten, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling (toev hof: te weten dat de bevoegdheid om de vernietiging van het aangaan van de overeenkomsten in te roepen is verjaard) is geslaagd. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] bij vermeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om tegen het bewijsvermoeden tegenbewijs te leveren.
Anders dan de kantonrechter, is het hof van het oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen tegenbewijs. Daartoe overweegt het hof als volgt.
7.7.
Het hof is van oordeel dat uit de schriftelijke verklaring in combinatie met de getuigenverklaring van [persoon A] en [geïntimeerde] (in onderling verband en samenhang bezien) blijkt dat zij vanaf dan wel omstreeks het sluiten van de overeenkomsten daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de Leaseovereenkomsten.
[geïntimeerde] heeft daarover schriftelijke verklaard (welke schriftelijke verklaring aan het proces-verbaal van getuigenverhoor is gehecht) als antwoord op de volgende vragen:
“b. Op welke wijze is (zijn) het (de) in de procedure betrokken effectenleasecontract(en) (hierna de contracten) tot stand gekomen? Is in verband daarmee een tussenpersoon thuis op bezoek gekomen? Zo ja, wie waren daarbij aanwezig?”
Luidt het antwoord:

Er werd een keer gebeld door of iemand namens Dexia. Ik was al aan het denken om te sparen voor het pensioen, ik kreeg een positief verhaal te horen en er zijn geen risico’s genoemd. Ik kreeg de stukken thuis gestuurd en heb het verder alleen geregeld. Ik zag het als iets voor de zaak, daar had mijn vrouw geen bemoeienis mee. Wel heb ik gezegd dat ik iets geregeld had voor mijn pensioen, maar waar en hoe dat was dat wist mijn vrouw niet.”
En op vraag c:
“Uit welke bron(nen) en van welke bankrekening(en) kwam het geld voor de inleg vandaag?”
Luidt het antwoord:

Er ging maandelijks een bedrag van de zakelijke rekening naar de privé rekening, vanaf de privé rekening werd de inleg betaald.”
En op vraag e:
“Welke bankrekeningen hadden de contractant en de echtgenoot?
Een per bankrekening:
  • op welke na(a)m(en) was deze gesteld,
  • (…)”
Luidt het antwoord:
“Ik had een zakelijke rekening voor het bedrijf en een privé rekening die op beider naam staat. Alle uitgaven binnen huishouden werden van de privé rekening betaald(…)”
En op vraag l:
“Hadden de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een pensioenvoorziening, een lijfrentepolis, een belegging in aandelen of een soortgelijke vermogensvoorziening?”
Luidt het antwoord:
“Ik had geen pensioen door de eigen zaak. Daarvoor had ik de overeenkomst van Dexia afgesloten. Ik heb ook koopsompolissen gehad. ”
[persoon A] heeft in het kader van de verstrekte bewijsopdracht schriftelijk verklaard (welke schriftelijke verklaring aan het proces-verbaal van getuigenverhoor is gehecht) als antwoord op de volgende vraag l:
“Hadden de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een pensioenvoorziening, een lijfrentepolis, een belegging in aandelen of een soortgelijke vermogensvoorziening?”
Antwoord:
“Mijn man heeft mij verteld dat hij iets voor zijn pensioen is gaan regelen. Hij regelde dat soort zaken zelf. Ik heb daar niets mee gedaan of voor hoeven doen.”
Als getuige heeft [persoon A] verklaard:
“Ik wist wel dat mijn man ging sparen voor zijn pensioen, maar wat wist ik niet.”
Als getuige heeft [geïntimeerde] (schriftelijk) verklaard:

Ik had een zakelijke rekening voor het bedrijf en een privé rekening die
op beider namen staat. Alle uitgaven binnen huishouden werden van de privé rekening betaald.”
Uit deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [persoon A] er van op de hoogte was dat [geïntimeerde] voor zijn pensioen overeenkomsten had afgesloten waarvoor de gezamenlijke rekening zou worden gebruikt om betalingen onder de overeenkomsten te verrichten. Dit betreft de periode vóór 13 maart 2000 omdat [geïntimeerde] als getuige heeft verklaard:
“Tegen mijn vrouw heb ik, toen ik de Dexia-polis afsloot, gezegd dat het sparen was voor het pensioen.”Dit betekent dat [persoon A] wist, vanaf het tekenen van de Leaseovereenkomsten, van het bestaan van een financieel product dat kennelijk aanleiding gaf tot een periodiek beroep op de gezinsfinanciën. Dat zij daarbij in de veronderstelling verkeerde dat het hier om sparen voor een pensioen ging, is niet van belang. Zoals hierboven is overwogen, is immers niet vereist dat de niet-handelende echtgenoot bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden.
7.8.
Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de [persoon A] al vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de Leaseovereenkomsten, namelijk vanaf kort na het sluiten van deze overeenkomsten op 23 mei 1998 althans vanaf de ontvangstdatum van (in of omstreeks 1998) van het oudste bankafschrift van de en/of rekening, die op naam staat van [geïntimeerde] en [persoon A] , waarop betalingen terzake van de overeenkomsten staan vermeld. Het door de kantonrechter bij tussenvonnis aangenomen bewijsvermoeden is dus niet ontzenuwd, terwijl Dexia met deze schriftelijke en getuigenverklaringen aanvullend bewijs heeft bijgebracht van haar stelling [persoon A] vanaf het ondertekenen van de overeenkomsten door [geïntimeerde] daarvan op de hoogte was. Aangezien een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid van [persoon A] tot vernietiging van de overeenkomsten niet tijdig is gestuit door de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie. De bevoegdheid van [persoon A] om de vernietiging is te roepen was dus al verjaard toen zij dat bij brief van 21 mei 2007 deed. Het beroep van [geïntimeerde] op de vernietigingsbrief van 3 september 2003 faalt eveneens. In die brief wijst [persoon A] bovendien uitsluitend op haar bekendheid met één concrete leaseovereenkomst, niet zijnde de hier in geding zijnde overeenkomsten. Het beroep van [geïntimeerde] op de ingeroepen vernietiging van de overeenkomsten faalt dus.
7.9.
Nu [persoon A] te laat de vernietiging van de Leaseovereenkomsten heeft ingeroepen, zijn deze niet rechtsgeldig vernietigd, grief I treft doel. Uit de eindafrekening volgt een positief te ontvangen saldo van 2 x € 3.553,70 = € 7.107,40. Dit bedrag zal door Dexia moeten worden betaald aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van de eindafrekening, zijnde 23 mei 2007.
Grief II, de proceskosten
7.10.
Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen, grief II treft ook doel.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:
  • Explootkosten € 106,01
  • Griffierecht € 126,00
  • Salaris advocaat/gemachtigde € 1.305,50 (3,5 x tarief € 373,00)
  • Nakosten €
Totaal € 1.661,51
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen vastgesteld worden op:
  • Explootkosten € 127,42
  • Griffierechten € 783,00
  • Salaris advocaat € 1.290,00 (1 punt x tarief II € 1.290,00)
  • Nakosten €
Totaal € 2.389,42
Bewijsaanbod
7.11.
Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] zal worden gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

8.De uitspraak

Het hof:
- verklaart Dexia niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het (tussen)vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 december 2021;
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 november 2022 en in zoverre opnieuw rechtdoende;
- verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de Leasovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van het bedrag van € 7.107,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2007;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 1.661,51 en van het hoger beroep van € 2.389,42, te betalen na heden. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, E.A.M. van Oorschot en R.A. van der Pol en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2026.
griffier rolraadsheer